
A. Besluitvormend
1. Opening
2. Spreekrecht toehoorders
3. Notulen vergadering 22 april 2009
4. Actief grondbeleid
5. Bestuursrapportage 1e kwartaal 2009
6. Vragenuurtje
7. Rondvraag
8. Sluiting
B. Opiniërend
1. Opening
2. Notulen opiniërende vergadering d.d. 27 mei 2009
3. Stukken ter kennisname, mededelingen en uitnodigingen
4. Frequenties en periode bestuursrapportages
5. Jaarrekening/ - verslag 2008
6. Rondvraag
7. Sluiting
A. Besluitvormend gedeelte
1. Opening
De voorzitter opent de vergadering om 10.05 uur
2. Spreekrecht toehoorders
Hiervan wordt geen gebruik gemaakt.
3.Notulen vergadering 22 april 2009 (pdf)
Het algemeen bestuur stelt de notulen vast overeenkomstig het concept.
Lijst van toezeggingen: punt 3 (teeltvrije zones) van de vergadering van 4 maart 2009 vervalt na een toelichting, staande de vergadering, van de heer Classens.
4. Actief grondbeleid (pdf) /bijlage1 (pdf) / bijlage 2 (pdf)
De heer Van Dijck merkt op, dat het actief grondbeleid vanuit meerdere invalshoeken dient te worden toegepast. Hij vraagt op welke manier het waterschap kan bevorderen dat de provincie actiever wordt in dit kader, zodat geen (ILG)-gelden onbesteed blijven.
De heer Roelofs antwoordt namens het dagelijks bestuur, dat bij ieder project vooraf wordt bekeken welke subsidiemogelijkheden er zijn. Bekend is dat het bij de provincie als beheerder van subsidiegelden telkens veel moeite kost om die gelden beschikbaar te krijgen. Een bestuurlijk overleg in dezen tussen beide waterschappen en de provincie kan van meerwaarde zijn.
De heer Clumpkens vraagt op welke manier de grondaankoop wordt gefinancierd. Hij gaat er van uit dat de aankoop voor een aantal projecten in een bepaalde periode voorafgaand aan de feitelijke uitvoering plaatsvindt. Hij vraagt of op voorhand een financieringsbodem en –plafond wordt vastgesteld. Ook vraagt hij of de koopsom en/of de rente t.l.v. de heffingen komt of dat een andere overheid zulke transacties financiert.
De heer Roelofs, spreker namens het dagelijks bestuur, constateert, dat in het beleidsdocument geen financiële paragraaf voorkomt. Hij zegt toe, dat het dagelijks bestuur zich gaat beraden over dit gemis en hierop terug zal komen bij het algemeen bestuur.
De heer De Lange merkt op, dat zijn fractie groot belang hecht aan het instellen van een grondcommissie.
Namens het dagelijks bestuur zegt de heer Roelofs toe, dat het dagelijks bestuur zich hierover gaat beraden en hierop terugkomt bij het algemeen bestuur.
De heer Van Iersel merkt op, dat het voorliggend document dynamisch dient te zijn, zodat in de loop der tijd wijzigingen ingevoegd kunnen worden, zoals naar aanleiding van de resultaten uit de beekdaldiscussie (blauwe/witte kaarten), die in de komende vergadering van het algemeen bestuur gehouden kan worden. Verder spreekt hij de wens uit om de gronden die over zijn, na het afronden van een project, binnen drie jaren terug te verkopen aan de landbouw. Bovendien vindt hij een goede communicatie in het veld gewenst, temeer nu grondaankopers aan het werk zijn, vóór de feitelijke start van het project. Dit schept verwarring. Uitgelegd dient te worden dat feitelijke terreinwerkzaamheden worden voorafgegaan door grondtransacties.
De voorzitter reageert met de constatering, dat het voor zich spreekt, dat als uit de beekdaldiscussie gevolgen voortkomen die het grondbeleid aangaan, die dan ook meteen in beeld worden gebracht en zo nodig het beleid wordt aangepast.
De heer Roelofs vult namens het dagelijks bestuur aan, dat de percelen verkocht worden die na het voltooien van het project geen strategisch belang meer hebben.
Verder vult hij aan, dat op het moment dat de grondaankopers op pad gaan in het veld bekend is dat een project uitgevoerd gaat worden. Er worden echter ook gronden aangekocht op momenten dat de kans zich voordoet, zonder dat aansluitend een project wordt uitgevoerd.
De heer Frenken Frenken verzoekt om een overzicht te krijgen waaruit blijkt hoeveel grond nog aangekocht gaat worden, voor welke projecten, tegen welke budgetten en hoeveel reeds “in de pijpleiding zit”. Dit als ondersteuning bij een prioriteitstelling en de daarbij te maken keuzes.
De voorzitter deelt mee, dat het dagelijks bestuur hierop terugkomt. Overigens vindt het dagelijks bestuur dat er zich in dit verband geen uitzonderlijke zaken, ook in financieel opzicht, op dit moment voordoen of hebben voorgedaan.
Vervolgens stelt het algemeen bestuur de Nota actief grondbeleid vast, overeenkomstig het voorstel.
5. Bestuursrapportage 1e kwartaal 2009 (pdf) / bijlage 1 (pdf) / bijlage 2 (pdf)
De heer Van Iersel merkt op, dat het toevoegen van een samenvatting van de veranderingen meerwaarde heeft.
Als reactie attendeert de voorzitter op pagina 3, inhoudende een samenvatting van de voorstellen en verwijst hij voor de nadere onderbouwing daarvan naar de rapportage.
De heer Frenken heeft een vraag naar aanleiding van het vermelde op pagina 10, waterkering en veiligheid, het vaststellen van een nulsituatie. Hij meldt dat op een voorlichtingsbijeenkomst in Beegden Rijkswaterstaat heeft gesteld, dat de grondeigenaren zelf het achterblijvend drijfvuil dienen op te ruimen, als het retentiebekken bij het Lateraal kanaal gebruikt wordt ten tijde van Maashoogwater. Hij vraagt wie hier de verantwoordelijkheid draagt; Rijkswaterstaat als Maaseigenaar of het waterschap als beheerder van de keringen? Het gaat overigens om niet geringe hoeveelheden vuil.
De voorzitter licht oe, dat bij de beschrijving van de nulsituatie het retentiebekken buiten beschouwing blijft. Rijkswaterstaat heeft de zeggenschap en het beheer over het retentiegebied. Reden temeer dat het waterschap bij die voorlichtingsavond formeel niet vertegenwoordigd was.
De heer Van Dijck maakt bij het instemmen met het voorstel het voorbehoud, dat met het vaststellen van de berap niet tevens de drie bestedingsvoorstellen over het rekeningresultaat zijn vastgesteld; die komen immers pas aan de orde bij het vaststellen van de Jaarrekening 2008.
De heer Kersten deelt namens het dagelijks bestuur mee, dat inhoudelijk de drie bestedingsvoorstellen niet ter discussie staan. Betalen via het beraptraject of uit het rekeningsaldo vindt hij lood om oud ijzer.
Vervolgens stelt het algemeen bestuur de Bestuursrapportage 1e kwartaal 2009 vast, overeenkomstig het voorstel.
6. Vragenuurtje
De heer Felling constateert dat inspraak mogelijk is geweest op de ontwerpen van het Provinciaal waterplan, het Waterbeheerplan Waterschap peel en Maasvallei, het Stroomgebiedbeheerplan Maas en het Nationaal waterplan. Hij vindt het opmerkelijk, dat de ingebrachte reacties op deze plannen, maar ook het ontwerp-Nationaal waterplan zelf, niet zijn voorgelegd aan het algemeen bestuur. Naar zijn mening heeft een optimale afstemming op het Nationaal waterplan dan ook niet plaatsgevonden. Dit acht hij onaanvaardbaar. De heer Felling vindt het dagelijks bestuur in dezen nalatig. Dit in combinatie met de kaderstellende en beleidsontwikkelende rol van het algemeen bestuur en de betrokkenheid van burgers en organisaties, die het waterschap zo hoog in het vaandel heeft.
Hij vraagt zich dan ook af hoe het te verklaren is, dat het algemeen bestuur deze integrale beleidsontwikkeling heeft misgelopen en het waterschap geen formele inspraakreactie heeft gegeven op het Nationaal waterplan. Het alsnog ontvangen van een “hard-copy” van het ontwerp-Nationaal waterplan stelt hij op prijs. Bovendien zou hij weten te waarderen, het alsnog ter bespreking agenderen van de gevolgen van dit ontwerpplan, op basis van een concept-inspraakreactie van het dagelijks bestuur. Tot slot vraagt hij waarom het waterschap de burgers terecht wel gelegenheid tot inspraak biedt en zelf bij hogere overheden geen gebruik maakt van dat recht, althans niet via het algemeen bestuur?
De heer Frenken ondersteunt de reactie van de heer Felling en stelt voor om het algemeen bestuur in voorkomende gevallen een “vooraankondiging” aan te reiken, bijvoorbeeld richting de fractievoorzitters met de melding dat voor een bepaalde datum een zienswijze ingediend kan worden. De fracties kunnen dan nog opmerkingen of bedenkingen aanreiken. Op voordracht van een fractie kan op zulk moment dan ook eventueel een voorstel tot behandeling binnen het algemeen bestuur gedaan worden.
De voorzitter reageert met het schetsen van twee sporen.
Er is een Planfiguur dat voortkomt uit de Kaderrichtlijn water (KRW) en dat moet leiden tot een stroomgebiedsplan Maas. Een Regionaal bestuurlijk overleg Maas is opgericht ten behoeve van goede afstemming van planfiguur op gemeentelijk, waterschaps-, provinciaal en rijksniveau. Een proces van drie jaar dat eind 2008 concepten heeft opgeleverd op de vier niveaus.
Naast het uitvoeren van de KRW bestaat het proces dat volgt uit de Wet op de waterhuishouding (Wwh), waaruit het Nationaal waterplan volgt (“5e Nota waterhuishouding”), het POL (streek- en provinciaal waterhuishoudingsplan) en het waterbeheerplan van het waterschap. De KRW ziet met name op de kwaliteit van het watersysteembeheer. Het waterschap doet echter meer: kwantiteit, zuivering en kering. Ergo: genoemde plannen die voortkomen uit de Wet op de waterhuishouding zijn de schil om de KRW.
Op nationaal niveau is besloten dat twee sporen gevolgd worden: spoor KRW en spoor Wwh. Ons eigen ontwerp-Waterbeheerplan gaat via het spoor Wwh en betreft onze eigen taken met als bijlage onze bijdrage binnen het KRW-proces.
Zowel op basis van de KRW als de Wwh diende –inspraak-procedures gevolgd te worden. Deze liepen in 2008 simultaan. Alle betrokken overheden hebben toen ook afgesproken, dat op 22 december 2009 alle besluiten genomen zijn bij de diverse overheden die voortkomen uit de KRW.
Het ontwerp-beheerplan van het waterschap is dan ook in de laatste vergadering van het algemeen bestuur in december 2008 vrijgegeven voor inspraak. Het ontwerp zat in het introductiepakket voor het nieuwe algemeen bestuur; de inhoudelijke thema’s komen tijdens de diverse vergaderingen van het algemeen bestuur aan de orde. Op 8 juli wordt het beheerplan en de procedure rond de besluitvorming toegelicht.
Het algemeen bestuur is kaderstellend voor het waterschapsbeleid. Daarnaast zijn er kaders op Europees, Rijks- en provinciaal niveau. Die vastgestelde kaders zijn vervolgens een vast gegeven.
Principiële vraag is of het algemeen bestuur dan wel het dagelijks bestuur inspreekt op ontwerpen van kaders op centraal niveau. Tot op heden heeft het dagelijks bestuur die rol gehad. Zulke kaders worden “erg samen” voorbereid zodat het “zwaluwstaarten” er toe leidt dat inspraakreacties van overheden onderling marginaal zijn, zonder echt verrassende zaken.
Het dagelijks bestuur spreekt in, temeer nu het dagelijks bestuur in de voorbereidende fase nauw betrokken is bij de onderwerpen.
Bij waterschapskaders legt het dagelijks bestuur een ontwerp voor inspraak ter inzage. Het dagelijks bestuur legt vervolgens, met een eigen reactie op de ingekomen zienswijzen, het ontwerp voor aan het algemeen bestuur. Vervolgens stelt het algemeen bestuur het kader vast.
De kernvraag spitst zich toe op het beoordelen van de omvang en reikwijdte van de bevoegdheden van het algemeen bestuur, i.c. de omvang van de gedelegeerde bevoegdheden richting dagelijks bestuur.
Landelijk ontstaat een tendens dat veel discussiepunten vanuit het dagelijks bestuur richting algemeen bestuur gaan en dat het algemeen bestuur meer zaken naar zich toetrekt.
Feit is dat het algemeen bestuur met een zware, goed toegeruste vertegenwoordiging in het dagelijks bestuur zit. De vraag kan dan rijzen of het huidige dagelijks bestuur in omvang nodig is als het algemeen bestuur steeds meer gedachte-, discussie- en beleidsvorming en overleg wil verplaatsen van dagelijks bestuur naar algemeen bestuur.
De voorzitter concludeert, dat de wenselijkheid van verschuiven van verantwoordelijkheden van dagelijks bestuur naar algemeen bestuur kan worden voorbesproken in de fracties en indien gewenst via het fractie-voorzittersoverleg aangekaart zal worden.
De heer Felling deelt mee, dat hij aanwezig is geweest bij een bijeenkomst die de Unie van Waterschappen op 28 mei 2009 heeft gehouden over het evaluatierapport waterschapsverkiezingen “Samen naar beter”. Hij vraagt of het dagelijks bestuur de conclusie in het rapport ondersteunt? Wat leren de bevindingen over de eigen evaluaties van de waterschappen? Wil het waterschap directe verkiezingen handhaven en op basis van de Kieswet? Is een internetverkiezing nog een optie en/of verkiezingen gelijk met de verkiezingen voor de gemeenteraden? Bovendien hoort hij graag een nadere motivering uit de keuze benoemen of laten kiezen van kandidaten uit belangengroeperingen.
Hij acht een inspraakreactie vanuit het waterschap naar de Unie in de rede liggen, zoals ook de dagvoorzitter op 28 mei heeft aanbevolen. Immers inspraak tijdens de bijeenkomst had geen formele status.
De voorzitter reageert onder verwijzing naar een persbericht van het kabinet van 19 juni 2009, waarin gemeld wordt dat het kabinet op voorstel van de staatssecretaris weliswaar heeft besloten een onderzoek in te stellen, maar het unierapport niet heeft willen afwachten en zelfstandig dit besluit heeft genomen. Kritiek vanuit de 2e Kamer en Regering is met name, dat de Raad voor binnenlands bestuur en de Kiesraad de wetswijziging voor wat betreft de verkiezingen op voorhand niet hebben gezien. Bij de voorbereiding van de wetswijziging zijn kennelijk alleen de waterschappen en het ministerie van Verkeer en Waterstaat betrokken geweest.
De waarde van het “navelstaren” binnen de waterschappen in de vorm van een verkiezingsevaluatie en de discussie over wijziging van het stelsel moet men weten te relativeren. Immers de meeste bestuurders van waterschappen zijn binnen het nu geldend en te bespreken stelsel gekozen.
Bovendien zou zulke discussie leiden tot 26 verschillende standpunten vanuit 26 waterschappen met uiteindelijk erg vage verhalen en dus een vaag Uniestandpunt namens de waterschappen.
Verder meldt de voorzitter, dat in het persbericht over de verkiezingen ook staat vermeld dat het kabinet geen aanleiding ziet om het belastingstelsel te wijzigen. Dit zou gelezen kunnen worden als ongewijzigde wetgeving, maar wel met een mogelijkheid voor aanpassing van de onderliggende regelgeving. Met dat laatste zou dan toch hier en daar wat maatwerk per waterschap mogelijk kunnen zijn.
De heer Stelder pleit er voor om het standpunt van het kabinet rond het belastingstelsel goed te communiceren, met name richting de grote “stakeholders”, om aan te geven dat hetgeen bij wet is geregeld, voor het waterschap een gegeven is.
De heer Van Iersel spreekt de hoop uit, dat wijzigingen mogelijk zijn om hier en daar kleine onredelijkheden weg te werken.
7. Rondvraag
De heer Van Iersel verwijst naar de presentatiestukken van hem die bij de vergaderstukken zijn gevoegd over erfafspoeling. Deze hadden niet meegezonden moeten worden. Deze presentatie wordt op dit moment niet ten overstaan van het algemeen bestuur gehouden. Het vraagstuk kan wel ondergebracht en onderzocht worden binnen het Zuid-Oost-Nederlandproject in relatie tot de Kaderrichtlijn water. Afhankelijk van de resultaten kan daar later op worden teruggekomen.
De voorzitter deelt mee, dat het toevoegen van die presentatie bij de stukken een vergissing is. Temeer ook omdat er landelijke regelgeving op stapel staat, die in het najaar in de presentatie meegenomen kan worden.
De heer Van Iersel brengt onder de aandacht dat het Waterschapsbedrijf Limburg wil onderzoeken of afgevoerd beekmaaisel verwerkt kan worden als een co-vergistingsproduct bij het vergisten van rioolslib; eventueel uit te breiden met gemeentelijk en provinciaal groenafval.
De voorzitter licht toe, dat binnen het bestuur van het waterschapsbedrijf een strategische discussie plaatsvindt over de slibverwerking voor de komende jaren. Bovendien wordt gekeken naar slibverwerking/biovergisting in combinatie met landbouwmest.
De heer Frenken vraagt of een projectoverzicht kan worden verstrekt zoals in het verleden bij de berap en jaarrekening. Aan de hand hiervan kunnen de projecten dan tijdens een opiniërende vergadering de revue passeren.
De voorzitter antwoordt, dat ook het dagelijks bestuur behoefte heeft aan een goed overzicht. Bezien zal worden in welke vorm dit kan.
De heer Frenken vraagt wat de bijdrage is van het waterschap in de Floriade. Als gevolg van de economische crisis blijkt dat het bedrijfsleven minder investeert in gebouwen dan verwacht.
De voorzitter meldt, dat het waterschap niet investeert in een gebouw op het Floriadeterrein, maar zal kijken of de demo in andermans gebouw gehouden kan worden. Verder is er geen reden om de waterschapsactiviteiten op de Floriade aan te passen.
De heer Lemmen vraagt naar de stand van zaken rond de Noordervaart, met name naar de relatie tussen de omvang van de watertoevoer en onttrekkingsverboden vanuit de Noordervaart. Het onttrekkingsverbod vindt kennelijk zijn oorsprong in een –te- beperkte watertoevoer naar de Noordervaart.
Namens het dagelijks bestuur geeft de heer Classens een toelichting. In het verleden is met Rijkswaterstaat overeengekomen dat max. 6 m3/sec. wateraanvoer geboden wordt vanuit de Maas via de Zuid-Willemsvaart. Dit volume kan er op dit moment niet door vanwege het dichtslibben van de Noordervaart. Op dit moment kan er 4,3 m3/sec. door, die vervolgens verdeeld worden over Noord-Brabant en Limburg. Met Rijkswaterstaat is afgesproken, dat ingeval van extreme droogte de belangen van scheepvaart op de Maas voorgaan. Dit betekent, dat dan niet zondermeer extra water naar de Noordervaart gaat om een beregeningsverbod te voorkomen, als dit zou betekenen dat de scheepvaart risico’s gaat lopen. Op dit moment wordt bezien of er meer water doorgevoerd kan worden na technische ingrepen bij de Noordervaart.
8. Sluiting
De voorzitter sluit om 11.25 uur de vergadering.
B. Opiniërend gedeelte
1. Opening
De voorzitter opent de vergadering om 11.35 uur en deelt mee, dat eerst agendapunt 5 behandeld wordt.
2. Notulen opiniërende vergadering d.d. 27 mei 2009 (pdf)
De heer De Hoon meldt, dat hij de nieuwe lay-out van de notulen weliswaar overzichtelijker vindt, maar dat het ontbreken van de namen van de sprekers: “wie heeft wat gezegd” als gemis ervaart.
Verder deelt hij mee, dat bij de rondvraag van de heer Felling in de notulen op pagina 6 en op de lijst van toezeggingen onder B6 is opgenomen, dat dit onderwerp wordt geagendeerd voor de vergadering van het algemeen bestuur van 24 juni. Dit is echter niet gebeurd.
De voorzitter zegt toe, dat in de volgende notulen worden de namen van de sprekers weer worden opgenomen.
Vervolgens stelt het algemeen bestuur de notulen vast overeenkomstig het concept.
3. Stukken ter kennisname, mededelingen en uitnodigingen (pdf) / bijlage 1 (pdf)
Betreffende het onderwerp Ontgrinding Vijverbroek (punt 3) vraagt de heer Bongers, of dit een concreet plan is.
De voorzitter leidt de vraag door naar de heer Paarlberg. Deze meldt, dat het een principebesluit/concessie betreft waarbij echter geen concrete locatie is bepaald.
De stukken worden vervolgens voor kennisgeving aangenomen.
4. Frequenties en periode bestuursrapportages/ bijlage 1
Het algemeen bestuur besluit om zich te conformeren aan het voorstel.
5. Jaarrekening/ -verslag 2008 (pdf)
De voorzitter heet de heren J. Janssen en P. Janssen van Ernst en Young Accountants welkom en geeft het woord aan hen. Ze bevestigen, dat het waterschap een goedkeurende accountantsverklaring krijgt. Het accountantsonderzoek spitst zich toe op de beheersorganisatie binnen het waterschap waarbij gekeken is of alle processen die leiden tot de jaarcijfers, betrouwbaar worden weergegeven. De beheersorganisatie is van voldoende niveau waarbij betrouwbare cijfers geleverd zijn. De jaarrekening zelf is adequaat opgesteld en geeft een getrouw beeld van het waterschapsvermogen en het -resultaat. Voor 2009 is van belang de invoering van de gewijzigde Waterschapswet met de gevolgen voor de verslaggeving; de invoering van de BPVW en de rechtmatigheidstoets.
Vervolgens geven de heren het algemeen bestuur de gelegenheid tot het stellen van vragen.
De heer Frenken vraagt welke afwijkingstoleranties gehanteerd zijn, mede in relatie met de rechtmatigheidstoets.
De heren Janssen en Janssen geven antwoord en een toelichting. Er heeft geen rechtmatigheidscontrole over het voorliggende boekjaar 2008 plaatsgevonden. Die toets komt wel aan de orde bij het boekjaar 2009. Daartoe dient het bestuur een controleprotocol vast te stellen waarin ook de controletoleranties worden bepaald, binnen de wettelijke marge van 1-3% van de totale lasten. Binnen die marge heeft het bestuur de vrijheid om een percentage vast te stellen. Hoe lager dat percentage, hoe intensiever, en daarmee duurder, de accountantscontrole. Het bestuur zal daarbij moeten afwegen of zulke intensieve controle voldoende meerwaarde heeft om tot een getrouw beeld in een jaarrekening te kunnen geven.
Voor de jaarrekening 2008 is 5% van het resultaat vóór belasting aangehouden.
De heer Van Dijck vraagt of het niet gebruikelijk is om een kwartier per dag te reserveren om urenverantwoording vast te leggen. Temeer nu uit de stukken blijkt, dat dit een moeizaam punt is. Overigens vindt hij, dat regelgeving rond subsidies strikt nageleefd moeten worden, zodat voorkomen wordt dat bepaalde bedragen misgelopen gaan worden.
De heer P. Janssen van Ernst & Young vindt het van belang dat er een goede urenverantwoording wordt bijgehouden. Hoeveel tijd dat per dag kost en op welke manier die registratie gebeurt, is vanuit accountancy-oogpunt niet relevant. Een goede projectadministratie van kosten en opbrengsten is van wezenlijk belang, zodat de volledigheid van opbrengstverantwoording binnen een project gegarandeerd is.
De wnd. secretaris, heer Kickken meldt, dat het managementteam heeft besloten dat iedere maandag de wekelijkse urenverantwoording aangeleverd dient te worden. Het naleven van dat besluit zal consequent worden gecontroleerd. Voor wat betreft urenverantwoording binnen een project wordt vooraf een volledigheidscontrole uitgevoerd. Dit is inclusief een controle op het doorberekenen van uren.
De heer Felling vraagt of er een verschil is tussen de initiële management-letter en de definitieve versie. Het is voor het algemeen bestuur van belang om met name kennis te nemen van een eventueel verschil.
De heer P. Janssen van Ernst & Young meldt, dat de conceptversie en de definitieve versie identiek zijn. Hij vult aan, dat de accountant overigens alles heeft opgeschreven wat hij had willen opschrijven.
De heer Clumpkens vraagt of er zaken zijn voorgevallen die niet zijn gerapporteerd.
Namens het dagelijks bestuur zegt de heer Kersten, dat alle zaken en constateringen zijn opgenomen in de rapportage. Het dagelijks bestuur heeft kennis genomen van de verbeterpunten die de heer Kickken heeft genoemd en heeft deze ook onderschreven. Het dagelijks bestuur ziet het realiseren van die verbeteringen als taakopdracht.
De heer Stelder constateert, naar aanleiding van het gestelde op pagina 9 van het jaarverslag, dat uitgangspunt in de begroting 2009-2012 is dat rekening gehouden moet worden met een opslag van 1 à 2% boven inflatie. In verband met de kredietcrisis zal dit uitgangspunt andermaal goed bekeken moeten worden. In de jaarrekening zijn “knoppen” benoemd zoals waardering tegen historische kostprijs, lineair afschrijven, afschrijftermijn, rentevoet enz. Dit kan betekenen dat er “verborgen reserves” zijn. Hij vraagt of het dagelijks bestuur bereid is om voor het vaststellen van de volgende begroting, dus uiterlijk najaar 2009 in discussie te gaan met het algemeen bestuur om aan genoemde “knoppen” te draaien om zo te trachten de opslag van 1 à 2% te voorkomen.
Dit temeer ook omdat het bedrijfsleven niet simpelweg tarieven fors kan verhogen en overheden kennelijk wel. Als voorbeeld van dit laatste noemt hij de forse tariefsverhoging van het kadaster.
De voorzitter concludeert, dat op pagina 9 weliswaar het uitgangspunt voor de begroting 2008 staat, maar dit het resultaat is van de discussie in september 2007.
Namens het dagelijks bestuur bevestigt de heer Kersten, dat het juist is dat de uitgaven niet structureel maar incidenteel zijn gedekt. Doel is een structurele dekking. Als een bezuiniging niet te realiseren blijkt, en we het voorgenomen investeringsniveau toch willen waarmaken, dan kan dit noodzaken tot een opslag boven het inflatiepercentage. In de voorjaarsnota is een aantal bezuinigingen benoemd. De heer Kersten constateert, dat de heer Stelder daarnaast nog enkele mogelijkheden noemt. Het dagelijks bestuur gaat deze mogelijkheden alsnog van harte onderzoeken, voordat de begroting 2010 wordt aangeboden, dus voor de betreffende opiniërende vergadering van het algemeen bestuur. In feite maakt dit al deel uit van de opdracht van het algemeen bestuur die bij de voorjaarsnota is meegegeven. Uiteraard worden daarbij de comptabiliteitsvoorschriften in acht genomen.
De heer Frenken signaleert, dat het rekeningresultaat is opgebouwd uit incidentele meevallers.
Hij vreest dat ook de Nederlandse Waterschapsbank kenbaar zal maken dat de dividenduitkering fors naar beneden zal gaan, zoals ook de Bank voor Nederlandse Gemeenten richting gemeenten heeft gemeld. Het waterschap ontving € 1,3 mln. dividend per jaar.De voorzitter deelt mee, dat voor 2009 de positie van de Nederlandse Waterschapsbank niet vergelijkbaar is met die van de Bank Nederlandse Gemeenten. De positie van de Waterschapsbank is gunstiger dan die van de Bank voor Nederlandse Gemeenten.
De heer De Hoon deelt mee, dat enkele zaken nog niet zijn ingevoerd, zoals de paragraaf personeel en de paragraaf ICT. Hij vraagt of er meer zaken zijn die de accountant signaleert en die nog niet gerealiseerd zijn.
De heer P. Janssen van Ernst & Young deelt mee, dat in principe de accountant na controle adviezen geeft voor het komende jaar. Als het volgende jaar leemten worden geconstateerd, dus zaken die geadviseerd zijn en nog niet uitgevoerd zijn, dan tracht de accountant op een andere manier, via een omweg toch dezelfde zekerheid te krijgen over de te controleren zaken.
Vervolgens dankt de voorzitter de heren P. Janssen en J. Janssen voor hun toelichting en antwoorden. Vervolgens verlaten de heren Janssen en Janssen de zaal.
De voorzitter vraagt wat de positie en rol is van het accountantskantoor Ernst & Young voor het komende jaar bij het waterschap.
Namens het dagelijks bestuur geeft de heer Kersten een toelichting.
Het waterschap werkt inmiddels drie jaren met Ernst & Young. Ook Waterschap Roer en Overmaas en Waterschapsbedrijf Limburg hebben dezelfde accountant.
Vanaf 2009 komt de rechtmatigheidstoets in beeld. Het dagelijks bestuur stelt voor om de accountant te vragen om het komende jaar het waterschap te begeleiden bij de nieuwe positie die ontstaat in het kader van de rechtmatigheidstoets en dus ook de controle over de rekening 2009 uit te voeren. Ook de besturen van Waterschap Roer en Overmaas en Waterschapsbedrijf Limburg doen een soortgelijk voorstel. Alternatief is om nu een gunningsprocedure te starten voor een accountant voor de komende drie jaren. Echter wel met het risico dat aanwezige kennis verloren gaat en voor het algemeen bestuur minder faciliteiten beschikbaar komen. Als Ernst & Young ook het komende jaar bij het waterschap aan de slag gaat, dan stelt het dagelijks bestuur voor om voor enkele zaken, uit onverdachte hoek, een verdiepingslag te maken. Uiteraard volgt altijd een verdiepingslag bij zaken uit verdachte hoek, mochten die zich voordoen.
De heer Stelder vraagt of ten tijde van de volgende vergadering van het algemeen bestuur het standpunt bekend is van Waterschap Roer en Overmaas en het waterschapsbedrijf.
De voorzitter vat het voorstel samen: het algemeen bestuur gaat nadenken om afwijkend van het aanbestedingsbeleid nog een jaar door te gaan met de huidige accountant, samen met Waterschap Roer en Overmaas en Waterschapsbedrijf Limburg, mede gelet op de nieuwe positie van de accountant per 2009. De accountant kan tevens een bepaald onderwerp dat het algemeen bestuur nader onderzocht wil hebben, onder de loep nemen, waarmee het algemeen bestuur dus ook in die vorm de controlefunctie invult.
Het ligt in de rede dat het waterschap als “moederorganisatie” eerst een standpunt inneemt en het waterschapsbedrijf als “dochter” daarop volgt met een standpunt waarbij “de moeder” al heeft laten merken dat een gelijkluidend besluit de voorkeur heeft.
Voordat de rondvraag aan de orde komt, constateert de heer Van Dijck dat weliswaar de managementletter van de jaarrekening is behandeld, maar niet de inhoud van de jaarrekening zelf.
De voorzitter biedt het algemeen bestuur alsnog de gelegenheid om op de jaarrekening te reageren.
De heer Van Dijck constateert drie bestedingsvoorstellen van het rekeningresultaat. Hij herkent hierin niet zijn bestedingsvoorstellen vanuit de vorige vergadering van het algemeen bestuur, zoals het naar voren halen van bepaalde investeringen om de economie te stimuleren en beter rendement voor de toekomst te bereiken.
Namens het dagelijks bestuur deelt de heer Kersten mee, dat de onderwerpen van besteding niet ter discussie staan. Die zijn in een eerdere vergadering al benoemd.
Of de gelden uit het rekeningoverschot worden gefinancierd of uit de algemene reserve, is lood om oud ijzer. Een discussie daarover heeft dan ook geen meerwaarde. Als er zaken naar voren moeten worden gehaald, dan gebeurt dat en wordt dat niet gehinderd door financiën. Wel worden daarvan de structurele effecten zichtbaar gemaakt.
Zowel de heer Van Dijck als de heer De Lange spreken de wens uit, dat het algemeen bestuur meer keuzevoorstellen voorgelegd krijgt in plaats van telkens een voorstel waar alleen ja of nee tegen gezegd kan worden. Overigens is de vraag waarom voor ICT een bedrag van € 260.000,-- gereserveerd moet worden, als er voldoende middelen beschikbaar zijn. Waarom dan niet een totale ICT-verbeterslag?
Namens het dagelijks bestuur geeft de heer Kersten als voorbeeld het beekdalherstel: het budget wordt bepaald, daarna volgt de discussie over de inhoud, welk project en “meer gas geven of op de rem staan”. ICT-zaken worden nu nog incidenteel gefinancierd, echter voor de toekomst structureel.
De heer Stelder wenst meer inzage in het mechanisme van de jaarrekening, zoals eerder deze vergadering al is gevraagd. Hij constateert dat wordt ingeteerd op de reserves door enerzijds € 2,3 mln. aan de reserves te onttrekken en vervolgens een positief resultaat te boeken van € 0,9 mln. Per saldo is er dan ook geen evenwicht tussen inkomsten en uitgaven binnen dat jaar.
De heer Van Iersel ondersteunt deze constatering.
De voorzitter meldt, dat het dagelijks bestuur de jaarrekening in de vergadering van 8 juli aanbiedt. De betreffende stukken gaan in de week van 24 juni de deur uit; dus inhoudelijk kan er niets meer gewijzigd worden. Wel kan voor de komende begroting een discussie plaatsvinden over “de knoppen”. Op 23 augustus kan dan ook een “workshop” gehouden worden waarin het denkwerk besproken wordt om te komen tot een structureel sluitende begroting.
De heer Frenken mist een actieve bijdrage van de accountant bijvoorbeeld in de vorm van een vergelijking van Waterschap Peel en Maasvallei met de andere waterschappen: op welke punten zou het waterschap meer moeten doen; op welke punten kan het ook wat minder?
De voorzitter reageert met de constatering, dat de accountant de toezichthouder is op het nakomen van de comptabiliteitsvoorschriften.
6. Rondvraag
De heer Felling vraagt of het dagelijks bestuur bereid is om een besluitvormend stuk voor te leggen betreffende delegatie en mandaat teneinde de regeling uit 2004 indien nodig te actualiseren.
De voorzitter meldt, dat het algemeen bestuur de delegatie- en mandaatbesluiten heeft gekregen bij het aantreden als nieuw bestuur.
Of deze besluiten aangepast moeten worden, hangt met name af van de uitkomst van de nog te voeren discussie over de verhouding tussen het algemeen en dagelijks bestuur.
De heer Felling deelt mee, dat het waterschap integraal verantwoordelijk is voor het watersysteem inclusief grondwaterbeheer. Een bestuurlijke samenwerking tussen gemeenten, provincie en waterschappen ligt daarbij in de rede. Waterakkoorden zijn daartoe een geschikt middel.
Hij vraagt of er op dit punt een pro-actieve beleidslijn bij het waterschap is en zo ja, hoeveel waterakkoorden met gemeenten zijn er al afgesloten?
De voorzitter reageert met de mededeling dat de discussie rond stedelijk waterbeheer nog loopt. Op dit moment zijn nog geen akkoorden gesloten. Op basis van de studies Optimalisatie Afvalwater zijn er gesprekken met gemeenten over rioleringen en zuiveringsysteem om te bezien of samen hiermee slim kan worden omgegaan. Dit leidt wel al tot samenwerking tussen WBL en gemeenten op het gebied van rioolonderhoud. Ook het beëindigen van gemeentelijke overstorten is voor gemeenten richtinggevend voor hun investeringsplan op rioleringsgebied.
De heer Clumpkens vraagt om kritisch te kijken naar het gewenste niveau van ICT-dienstverlening. Dus niet alleen kijken naar wensen, maar vooral naar de noodzaak om die wensen te vervullen.
Verder constateert hij in het bestuursvoorstel (agendapunt B03-2), onder “kanttekening”, dat wordt verwezen naar een rapport van augustus 2009. Dit zal 2008 moeten zijn.
De heer Dupont bevestigt namens het dagelijks bestuur, dat het plan van aanpak dat op dit moment geschreven wordt en waarin de gewenste niveaus worden opgenomen kritisch bekeken zal worden.
Overigens is het bedoelde rapport inderdaad van augustus 2008.
7. Sluiting
De voorzitter sluit om 12.35 uur de vergadering.