Logo waterschap Peel en Maasvallei
Ga direct naar het hoofdmenu of de inhoud.
Home > Watertoets > Hoe snel voert uw grond het regenwater af?

Hoe snel voert uw grond het regenwater af?

Waterschap Peel en Maasvallei wil de gemeenten en burgers in haar beheersgebied kunnen vertellen waar (regen)water snel kan infiltreren en waar dat minder snel gaat. Het waterschap heeft daarom kaarten laten maken waarop de bodemdoorlatendheid in Noord- en Midden -Limburg is af te lezen.

Waarom wilt u de waterdoorlatendheid van de bodem weten?

Nieuwbouw van huizen of de aanleg van wegen en parkeerplaatsen betekent tegenwoordig ook rekening houden met water. Daarom is het sinds enkele jaren gebruikelijk dat dak- en straatwater terug in de bodem wordt gebracht, geïnfiltreerd. De natuurlijke kringloop van het water is dan weer rond.

De gemeenten en burgers kunnen met behulp van de nieuwe kaarten van het waterschap de juiste infiltratievoorziening (een infiltratievijver, infiltratiekratten onder de grond, of waterdoorlatende bestrating) op de juiste plaats aanleggen.

Vroeger werd regenwater geloosd op het riool. Zo werd schoon regenwater eerst vuil gemaakt om het daarna weer te zuiveren. Omdat het riool de steeds grotere hoeveelheid regenwater niet meer aan kan, stort het vuile rioolwater regelmatig over in beken. Doordat het regenwater naar het riool gaat wordt het grondwater ook niet meer aangevuld. Zo komen beken sneller droog te staan. Zonde van het geld (zuiveringskosten) en het milieu (de beken).

Andere bodem, andere voorzieningen
Het afvoeren van regenwater gaat niet overal even makkelijk. Er zijn hoge en droge gebieden, bijvoorbeeld de Maasduinen, waar water snel de bodem in zakt. Een beperkte infiltratievoorziening is dan al voldoende om ook zware buien zonder wateroverlast in de bodem te laten trekken. Er zijn ook gebieden waar dat veel moeilijke gaat, dan zijn grotere infiltratievoorzieningen nodig zijn om het regenwater veilig en zonder overlast in de bodem te laten zakken.

Hoe de kaart te gebruiken

Bodemdoorlatendheid
De kaarten zijn gemaakt met behulp van gegevens die al bekend waren. De doorlatendheid is dus niet op elke locatie gemeten! Wanneer je rondom je eigen huis gaat meten kan het resultaat wel eens behoorlijk afwijken van wat je aan de hand van de kaart zou verwachten. De informatie op de kaart is dus indicatief. De kaart is bedoeld om een globaal beeld te geven van de situatie in de regio. Je kunt niet op perceelsniveau bekijken hoe het er voor staat. Je kunt er dan ook geen rechten aan ontlenen.

Bij kleine bouwprojecten, bijvoorbeeld voor een huis of schuur, zal het verschil tussen de werkelijke en de verwachtte doorlatendheid minder van  belang zijn. Dan kan je zo’n kaart direct gebruiken voor het ontwerp van een infiltratievoorziening. Bij grote (gemeentelijke) projecten kan de kaart gebruikt worden ter oriëntatie om bijvoorbeeld de strategie voor een infiltratieonderzoek uit te zetten.

De doorlatendheidskaart is opgesteld voor het landelijk gebied. Daarna zijn de gegevens voor het stedelijk gebied aangevuld met doorlatendheids­metingen en -schattingen. De bodemdoorlatendheid in het stedelijk gebied moet dus met extra zorg worden bekeken.Plaatselijke doorlatendheid moet dan vergeleken worden met de doorlatendheid rondom het stedelijk gebied.

Indelingsklassen voor bodems in Noord- en Midden-Limburg
Bij kleine bouwprojecten is het voldoende de mogelijkheden voor infiltratie in te schatten aan de hand van de bodemdoorlatendheidskaart. De bodemdoorlatendheid in Noord en Midden-Limburg is ingedeeld in 5 klassen:

  • Slecht doorlatende grond (0,03-0,15 m/dag): infiltratie is in deze gebieden bijna onmogelijk, doordat leem of veen in de bodem voorkomt.
  • Redelijk slecht doorlatende grond (0,15-0,45 m/dag): infiltratie is in deze gebieden meestal niet mogelijk, behalve wanneer sprake is van diepe grondwaterstanden (ca. 2 meter of dieper). Daarbij gaat het om de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG). De infiltratievoorziening zal vaak water bevatten en zal regelmatig overlopen.
  • Redelijk goed doorlatende grond (0,45-0,75 m/dag): infiltratie is mogelijk, mits de grondwaterstand voldoende laag is (ca. 1 meter of dieper). Ook hier zal de infiltratievoorziening vaak water bevatten en af en toe overlopen.
  • Goed doorlatende grond (0,75-1,5 m/dag): infiltratie is goed mogelijk, mits de grondwaterstand  voldoende laag is (ca. 1 meter of dieper). De infiltratievoorziening bevat regelmatig water en loopt af en toe over.
  • Zeer goed doorlatende grond (1,5-10 m/dag): infiltratie is heel goed mogelijk, tenzij sprake is van een kwelgebied waar het grondwater ondiep aanwezig is (ca. 0,5 meter diep). De infiltratievoorziening staat meestal droog en loopt niet vaak over.

De afmetingen van een infiltratievoorziening moet per situatie worden bepaald. Ze zijn naast de bodemdoorlatendheid ook afhankelijk van de grondwaterstand en de oppervlakte van de aangesloten verharding.

Bij grote (gemeentelijke) infiltratievoorzieningen kunnen naast de bodemdoorlatend­heid ook de gelaagdheid van de bodem, de dikte van de bodem en het doorlaatvermogen van de diepere ondergrond van belang zijn.

Anisotropie, Gelaagdheid van de bodem
De gelaagdheid van de bodem, ook wel anisotropie genoemd, is ingedeeld in 3 klassen afhankelijk van het type bodemmateriaal. Zo kent grof zand nauwelijks gelaagdheid, waardoor water in alle richtingen even snel door de bodem kan stromen (gelaagdheidsfactor 1). Fijn zand en leem kennen een gelaagdheidsfactor van resp. 2 en 3, wat in de praktijk betekent dat de bodem­doorlatend­heid 50 tot 70% lager kan liggen dan op de bodemdoorlatendheidskaart wordt afgelezen.

Dikte van de bovengrond
De dikte van de bodem (bovengrond) varieert van 1 meter op de Peelhorst tot 30 meter in de Roerdalslenk. Onder deze bodemlaag is een zandpakket aanwezig met een hoger doorlaatvermogen. Hoe dikker de bovengrond, des te langer het water doet over de weg naar het diepere grondwater en hoe lager de infiltratiesnelheid is. Bij een bodem dikker dan 10 meter is de bodemdoorlatendheid de meest bepalende factor voor infiltratie mogelijkheden. Bij dunnere bodems kan ook het doorlaatvermogen van de ondergrond een rol spelen.

Doorlaatvermogen van de ondergrond
Bij zeer dunne bodems, bijvoorbeeld van 1 tot 2 meter dik, wordt vrijwel direct in de goed doorlatende ondergrond geïnfiltreerd en is de bodemdoorlatendheid van de bovengrond minder relevant.

Het doorlaatvermogen van de diepere ondergrond speelt dus alleen een rol bij het ontwerp van grote infiltratievoorzieningen en een dunne deklaag. Het doorlaatvermogen varieert van 1000 m2/d op de Peelhorst tot 3000 m2/d in de Roerdalslenk. Grof gezegd is dit vergelijkbaar met een bodemdoorlatendheid van 5-10 en 30-50 m/dag, zoals deze voor de bovengrond gelden.

Logo waterschap Peel en Maasvallei
Naar boven