De tien publieksprijssonnetten in willekeurige volgorde:
1 - De dichter brengt mij…
2 - Het water sprekend
3 - Laatste vaart van de Middenrak (1728)
4 - Zijn laatste sonnet
5 - Weemoed
6 - Vijverzucht
7 - Dichter bij het water
8 - Dichter bij het water
9 - De beek
10 - De Leubeek
1
De dichter brengt mij…
De dichter brengt mij water in gedachten
Odysseus die Charybdis moet weerstaan
Een dijk bij avond, nog onaangedaan
De branding die op doortocht ligt te wachten
Rivieren die oneindigheid betrachten
Naar vrede zoeken op een oceaan
De Noordzee, waar een makker zal vergaan
En boomomzoomde Amsterdamse grachten
Net elf zou ik mijn eerste duik gaan maken
Ik dacht dat ik meteen het leven liet
Twee meter onder water bleef ik haken
Gevangen in de wortels van het riet
Sindsdien mocht menig waterdicht mij raken
Maar dichter bij het water kom ik niet
2
Het water sprekend
Ik was er voor een oude god mij schiep:
de oervloed, in zijn dronken galoppade.
Ik stoorde hem en viel in ongenade,
waarna zijn hand me tot de orde riep.
Hij gaf de lijnen aan waarlangs ik liep,
de wallekant, de oever en de kade,
sloeg minzaam de gewezen bekkens gade:
het meer, de zee, mijn bodems zwart en diep.
Ik ken mijn plek, gehoorzaam aan de wetten:
van zwaartekracht tot eb en laagste punt;
en nog blijft zich mijn donkere ziel verzetten
en stormt in mij de baaierd ooit misgund.
Ik zuig en sijpel, kniel, sta op en zwiep!
Ik was er voor een oude god mij schiep.
3
Laatste vaart van de Middenrak (1728)
Na ’t luiden van de vreetklok zitten zeven
matrozen neder bij een lege bak,
zwijgend, gedachtig aan het stadse leven
dat zij verruilden voor de Middenrak.
Dronken golven bespelen zacht de fluit,
doen moede dromershoofden zachtjes deinen.
In ’t duister loert een vijand en rukt uit,
bezoekt in ’t achterschip de chirurgijnen
en onderdeks de maagre varensgast.
Na ’t ochtendmaal beginnen drie matrozen
de rode doden buiten boord te lozen.
De kapitein legt in ’t register vast
een plotse uitbraak van de rodeloop,
besluit: We houden moed, komt Goede Hoop.
4
Zijn laatste sonnet
Vraag niet hoe’t is ontstaan in den beginne
Maar wijn stond steevast op ’t menu
Het meest nog hield hij van een donkerrode cru
De flessen waren zogezegd zijn levensgezellinnen
Alleen met drank kon hij aan een sonnet beginnen
En in een alomvattend, delirisch déjà vu
Schreef hij gedichten, welhaast continu
Over liefde, dood, verdriet en jeugdvriendinnen
Doch elke ochtend na zo’n poëtisch bacchanaal
Ontwaakte hij met een majestueuze kater
En wraakte hij zijn ziekelijke hang naar taal
Uiteindelijk beland op ’t spreekuur van een psychiater
Gaf de geneesheer hem de raad: kom leef frugaal
nog één gedicht en dan echt aan het water.
5
Weemoed
We zijn weer op de Goingarijpster Poelen,
mijn allereerste zeilkamp zit erop.
Ik schuif een houten vlonder weg en schrob
om dat nog even niet te hoeven voelen.
Een blokje kaas, twee peuken en een dop;
van alles wat daar stiekem lag te koelen
laat ik voor altijd in het water spoelen.
Het blijft nog even drijven, met het sop.
Dan zie ik vele, vele jaren later
hetzelfde schuim op weer hetzelfde water,
alsof het bovendrijft uit mijn geheugen.
Ik kijk ernaar, maar wat ik blijf proberen,
het lukt niet in de tijd terug te keren:
de weemoed is een vriendelijke leugen.
6
Vijverzucht
Martinus Nijhoff kreeg er tien.
Waarom zou Gerrit Komrij vinden
dat ik niet ook een plek verdien?
Ik vroeg het eens aan mijn beminde.
Ze wist het niet. Mist hij misschien
in mijn gedichten oude linden
en vijvers om op uit te zien
of ’s nachts te roeien met je vrinden?
Ik heb alleen een lampion
die aan het einde van een feest
per ongeluk heeft vlamgevat.
Was ik, vierhoog op mijn balkon,
een grotere poëet geweest
als ik een vijver had gehad?
7
Dichter bij het water
Ik ben de dichter van het ongehoorde
De schade door het water aangericht
Die stop ik, restaureer ik met mijn woorden
Mijn verzen houden alle dijken dicht
Ik ben de dichter van de droge oorden
Ik ben de meester van dit evenwicht
Tot plots een golf mijn gave wil vermoorden
Het water neemt bezit van dit gedicht
Hoe kan het dat de regels me ontglippen
De stroom gaat sneller en ik hoor geklater
Het water staat me bijna tot de lippen
Ik volg de vloed en denk niet meer aan later
Mijn zinnen lopen langzaam op de klippen
Ik ben een dichter, dichter bij het water
8
Dichter bij het water
Wanneer je aan het water wordt geboren,
Een kleine sloot waaraan wat wilgen staan
Waarlangs slechts nu en dan wat auto’s gaan
En verder amper herrie valt te horen,
Wanneer je in het kielzog van een toren
Het waaien van de wind hoort door het graan
En ’s morgens steeds het kraaien van een haan
Je dromen heel voorzichtig komt verstoren
Dan levert dat een buffer op voor later
Want wat het leven brengt dat neem je licht
Of minder zwaar; je hoeft geen psychiater.
Geboortegrond verdwijnt nooit uit het zicht.
Je blijft dus immer dichter bij het water
En laat het stromen in een licht gedicht.
9
De beek
Waar begonnen, was er eerst de zee
Of de sneeuw die drup drup drup weer water
Werd, dat neerwaarts ging en niet veel later
Stroompje was, dan beek van lieverlee
Als een kind bokspringt het naar benee
Blinkend in het zonlicht, dan weer staat er
Vol de maan op en geregeld gaat er
Spiegelend een wolk of boomkruin mee
Geile woerden, vis die springt en blinkt,
In een rietkraag staat de reiger stijf en
laat alleen de blaadjes langs zich drijven
Alles stroomt voorbij, maar oud instinct
Roept zalmen terug, krioelende lijven
Vechten naar wat was om daar te blijven
10
De Leubeek
Ik volg al eeuwenlang dezelfde loop
Soms smal, maar elders vrijuit in de breedte
Elke kromming zeer zorgvuldig uitgesleten
Terwijl ik door dit fraaie landschap kroop
Ik dwaal door een unieke biotoop
Die gisteren en morgen doet vergeten
Meer dan mijn richting hoef ik niet te weten
Ik laat de dingen kalm op hun beloop
De mens probeerde mij ooit af te snijden
Als altijd strevend naar de kortste route
Die regelrecht van A naar B moet leiden
Maar ik, niet opgejaagd door heilig moeten
Meander weer door bos en langs de heide
Waar ik jou op een dag hoop te begroeten
Terug naar boven